Op DUB verscheen van de week een bericht dat mij niet heeft verrast, maar wel mijn filosofieopvatting op haar grondvesten heeft doen schudden. Het systeem OSIRIS (ik schrijf de naam meteen maar met hoofdletters) bepaalt het beleid. Ik zal uitleggen waarom.

De unisersiteit als vrijplaats voor wetenschapsbeoefening wordt vervangen door een leer- en onderzoeksfabriek.


Na de Tweede Wereldoorlog (filosofen beschouwen de toestand in de wereld bij voorkeur in een ruimer verband), na de Tweede Oorlog dus, was de filosofie verdeeld in twee kampen. In de Angelsaksische landen zochten filosofen naar oplossingen voor problemen met als leidraad de wetenschap (in de Verenigde Staten) of de spreektaal (in Engeland). Het streven van deze analytische filosofie was gericht op helderheid en logische geldigheid. Op het Europese continent, het Avondland, was de filosofie in de greep van het denken van Martin Heidegger, een foute filosoof, want hij had gecollaboreerd met de Nazi’s. Volgens Heidegger heeft de Westerse maatschappij zich overgeleverd aan de technologie. De mens denkt wel dat hij heer en meester is van de techniek, die hij als handige hulp beschouwt, maar in werkelijkheid is hij de slaaf van het apparaat en niet andersom.
Deze samenvatting geef ik met enige schroom, want toen ik als student Wijsbegeerte in Leiden in eigen woorden probeerde samen te vatten wat Heidegger dacht, werd ik weggehoond. Het ging, het zal u niet verbazen, immers om ‘het zijn van het zijnde’. Lang leve de analytische filosofie dacht ik en toog naar Oxford. Op mijn beurt moest ik erg lachen toen Oudemans de prominentste Heideggeriaan, in de Groene Amsterdammer ‘de buikspreker van Heidegger’ werd genoemd, mede op grond van zijn oratie. In die rede, ironisch Afscheid geheten, beweerde Oudemans dat de hedendaagse universiteit afscheid heeft genomen van het academische ideaal van een enkyklos paideia, en verworden is tot een informatiefabriek.
Dat was in 1992. Inmiddels is het lachen mij wel vergaan. Iedere docent, iedere student, iedere patience spelende portier, zit gekluisterd aan hun pc’tje. En wee je gebeente als ‘het systeem plat is’, dan kunnen we met z’n allen naar huis. Faculteiten worden samengevoegd enkel en alleen op budgettaire gronden, zodat Kants ‘Der Streit der Fakultäten’ na twee eeuwen de prullenbak in kan: obsoleet, want wat een faculteit tot een faculteit maakt, doet er helemaal niet meer toe.
Toen ik tentamen deed, sprak je, wanneer je dacht dat je daar klaar voor was, met een hoogleraar een pensum af, waar zijn colleges desgewenst deel van uit maakten, maar verplicht waren die niet, en ging je bij hem thuis op audiëntie voor een gesprek over de stof. Daar is een module met een door de beschikbare onderwijsruimte bepaalde maximumlimiet aan deelnemers voor in de plaats gekomen; cursussen met minder dan vijftien ingeschreven studenten worden binnenkort afgeschaft. Waneer je als docent begrip toont voor het feit dat een ambitieuze student haar essay wat later inlevert dan de deadline, wordt dat als insubordinerend gedrag beschouwd dat niet langer kan worden getolereerd.
De resultaten van essays moeten niet slechts binnen twee weken na inlevering aan de student bekend worden gemaakt, zoals Gispen het ooit had bedoeld. Nee, de resultaten moeten binnen tien werkdagen na afloop van de cursus op OSIRIS zijn ingevoerd, anders loopt de financiering, de studievoortgangreportage, het berekeningsmodel, de capaciteitstoetsing, de rendementsvaststelling en het evaluatiemodel spaak.
Kortom, dat Oudemans’ cultuurkritiek twintig jaar na dato keihard bevestigd is, valt zelfs door mij niet meer te ontkennen. Ook de universiteit is een fabriek aan het worden, een ontwikkeling die het alom toegejuichte rapport van de commissie Veerman Differentiëren in drievoud, met aanbevelingen als ‘een kwaliteitsslag over de volle breedte’, ‘geen blauwdruk, wel dynamiek’ wil aanjagen. De macht is in Nederland in handen van een paar honderd man –  Baaierd suggereerde het al- die hun afgezanten sturen naar onze Raad van Toezicht, die zelf echter ook in de ban staat van processen die ze zelf al lang niet meer in hand hebben. Wetenschap is niet meer het zuivere zoeken naar waarheid, maar dient de macht, zoals Frans Verstraten beschrijft.
De vraag is waar dit op uitdraait. Ernst Jünger schetste in Der Arbeiter een beeld van een maatschappij met anonieme werkers. De macht, zo schrijft Jünger preluderend in 1932 op het rapport Veerman, doet een beroep op dat deel van de mensheid dat vrijheid begrijpt als ‘Arbeitsanspruch’. Laten we maar meewerken, want anders wordt het alleen maar erger, wie heeft het niet mogen optekenen uit de mond van zijn of haar faculteitsbestuur?
Heidegger zelf verzuchtte ‘Alleen een God kan ons redden’. Onze lokale dorpsatheïst toetert al jaren dat God niet bestaat, maar op de onderwijsadministratie weten ze net als Gerard Reve wel beter (Quia absurdum: ‘Je boek is af, je drinkt niet meer, je hebt je rijbewijs: wat wil je verder nog voor Godsbewijs?’): God bestaat en Zijn naam is OSIRIS.

Advertenties