“De moderne democratie is een diplomademocratie. Burgers hebben beduidend meer politieke invloed naarmate hun opleiding hoger is. Hoger opgeleiden waren altijd al politiek actiever dan lager opgeleiden, maar in de afgelopen decennia is het verschil sterk toegenomen.” aldus Utrechtse hoogleraar bestuurskunde Dr. Mark Bovens.
Zowel de politiek als belangengroepen (en zelfs politiek activisme) wordt gedomineerd door hoger opgeleiden (HBO en WO), terwijl belangenbehartigers van lager opgeleiden, zoals vakbonden, aan invloed inleveren. En dat is een probleem, want zo raken de belangen van lager opgeleiden ondergesneeuwd, aldus Bovens. Er kan echter een hoop verbeterd worden volgens Bovens, zoals meer democratische inspraak als referenda, iets waar lager opgeleiden meer waarde aan hechten dan hoger opgeleiden overigens. Lees zijn tekst hier (Nederlandse versie), hier (Engelse versie) en hier een korte samenvatting ervan op kennislink.nl.

Iets waar Bovens niet uitgebreid op ingaat overigens, is het grote inkomensverschil tussen lager en hoger opgeleiden..

Hogeropgeleiden (1/3 van de Nederlandse werknemers) verdienen bijna 2x zoveel als lager opgeleiden volgens het CBS.

Ook qua politieke smaak is de kloof groeiende. De kloof tussen de hoger en lager opgeleiden qua politieke voorkeur was nog nooit zo groot volgens een recente peiling van Maurice de Hond: lager opgeleiden stemmen meer SP, PVV en missen de gulden, hoger opgeleiden hechten meer waarde aan Europese integratie en de eurozone.

Is er een verklaring voor het feit dat hoger opgeleiden kosmopolitisch zijn ingesteld, en lager opgeleiden meer nationalistisch? De Nederlandse Bank geeft enige toelichting over waarom hoger opgeleiden economisch meer baat hebben bij globalisering (zoals Europese economische integratie van de markt) dan lager opgeleiden: “Technologische ontwikkeling en globalisering verhogen de vraag naar hoogopgeleiden en zetten de middeninkomens onder druk. […] De toenemende internationale verwevenheid zorgt ook voor grotere migratiestromen van vooral laaggeschoolde arbeid. Dit betekent extra concurrentie aan de onderkant van het loongebouw. […] Hoogopgeleide arbeid kan juist profiteren van globalisering doordat het afzetgebied vergroot wordt.” En DNB vervolgt: als topsalarissen van hoger opgeleiden internationaal gezien relatief laag zijn (wat in Nederland het geval is) kan globalisering leiden tot een soort internationale nivellering van topinkomens waardoor relatief lage topsalarissen stijgen. DNB verwacht dan ook een groei van de inkomensongelijkheid in Nederland.

Let wel, nu wordt dit vaak als argument gebruikt voor een afbraak van studiefinanciering, omdat “de slager de studie van de notaris financiert”. Maar met enige logica is dit argument natuurlijk vals. Maak hoger onderwijs duurder en je zult zien dat lagere inkomens nog meer dan nu worden uitgesloten van de kans op hoger onderwijs en een hoog inkomensniveau. Hoger onderwijs blijft dan behouden voor die bevolkingslagen die zich het duurdere onderwijs wel kunnen permiteren – hoogopgeleide, goedverdienende families.

Moeten we dan iedereen hoger onderwijs geven, opdat iedereen een lekker salaris heeft? Ten eerste, ja, iedereen moet recht hebben op hoger onderwijs, dat is immers ook een mensenrecht. Maar dit creëert niet ineens een gelijke wereld. Daar is iets meer verbeeldingskracht voor nodig, als we Dr. Stuart Tannock mogen geloven in zijn artikel “Higher Education, Inequality and the Public Good (2006)” over de (nog veel grotere) inkomenskloof tussen hoger- en lageropgeleiden in de VS, waar immers hetzelfde probleem bestaat:

Stuart Tannock

Stuart Tannock

We need to turn our thinking about higher education and inequality completely around. Currently, leftists, liberals, and conservatives all tend to applaud the role that college plays in increasing the earnings of the college educated. But what if we were to view the growing wage gap not as a sign of success in higher education but of failure? What if we were to frame the gap as a public bad, and stigmatize it? Finally, what if we were to see the task of narrowing this gap—in ways that were socially just—as something to which we should all dedicate our energies, whether we are in the academy or without? In this way, we could begin to shift our politics away from the errant task of trying to get everyone into college, toward the more genuinely democratic task of building solidarity and equality among all individuals, irrespective of educational or occupational status.

Advertenties