De huidige bezuinigingen in het onderwijs staan niet op zichzelf. Wat is dan het groter plan? We reizen terug naar het jaar….1991, het jaar dat de Europese Commissie (EC) op haar dak kreeg van het maatschappelijk middenveld omdat haar ‘Onderwijs Memorandum’ wel erg neoliberaal gekleurd was*.

Je kan natuurlijk ook beginnen met het lezen van de Strategische Agenda van Onderwijssecretaris Halbe Zijlstra die een radicale commercialisering heeft uitgestippeld voor ons hoger onderwijs en onderzoek. Ook interessant is het “Memorandum on Higher Education in the European Communiy” (Europese Commissie, 1991) waarin de EC toelicht hoe zij de toekomst van het hoger onderwijs en onderzoek voor zich ziet. Kort samengevat zegt de EC in dit Memorandum: laat de markt en het bedrijfsleven het onderwijs en onderzoek runnen.
.
* Het memorandum was nergens te vinden op internet, maar KSU heeft een (weliswaar gemarkeerde) versie opgevraagd en voor je ingescand. Download ‘m hier.

Waarom deze plannen verwerpelijk zijn is al te lezen in andere artikels op deze blog zoals deze, maar oordeel vooral zelf. Echter, omdat het een saai diplomatiek geschreven stuk is, wordt de boodschap van het Memorandum hieronder puntsgewijs voor je samengevat. (1) HO moet de arbeidsmarkt beter gaan dienen, (2) HO moet studenten een Europese identiteit aanleren, (3) de publieke financiering mag ter discussie staan, (4) wetenschappelijk onderzoek moet economische belangen gaan dienen, (5) de besluitvorming moet veranderen, oftewel invloed van bedrijfsleven ipv medezeggenschap. Lees de samenvatting hieronder…

…maar eerst een korte toelichting op het Memorandum door Karin Verelst, een Belgische academicus die fel tegen het Europese onderwijsbeleid schrijft in dit artikel. Ze geeft haar eigen interpretatie van het Memorandum en licht toe welke lobbygroep (de European Round Table of Industrialists) de EC de inspiratie leverde voor dit document:

Aanvankelijk uitgelekt als een ‘Green paper’ over onderwijs werd het na de officiële publicatie bekend als het Memorandum on Higher Education in the European Community. De inhoud van dit document was even onvoorstelbaar als rampzalig. De politieke krachtlijn was het ondergeschikt maken van het hoger onderwijs aan de belangen van de Europese grootindustrie. Eén van de centrale ideeën was het creëren van een Europese universitaire hiërarchie, met aan de top een klein aantal zogenaamde “centers of excellence”, de eigenlijke volwaardige universiteiten, en een groot aantal meer of minder gespecialiseerde “academische” instellingen die afgestudeerden zouden “afleveren” in “opleidingen” afgestemd aan de noden van de arbeidsmarkt. Op de zgn. topinstellingen na, die door hun intellectueel monopolie garant zouden staan voor de noodzakelijke “innovativiteit”, werd het hoger onderwijs dus onderworpen aan uitsluitend economische imperatieven.

De politieke krachtlijn was het ondergeschikt maken van het hoger onderwijs aan de belangen van de Europese grootindustrie

Ter verwezenlijking van deze doelstellingen diende een nauwe samenwerking tussen bedrijfsleven en universiteiten in het universitair bestuur structureel te worden ingebouwd. Deze samenwerking diende beloond te worden d.m.v. koppeling van de publieke financiering aan succesvolle samenwerking met de industrie. De toegang tot het hoger onderwijs zou afhangen van de noden van de arbeidsmarkt, die zelf weer bepaald worden door de ontwikkelingen in de eengemaakte Europese interne markt. Externe qualiteitscontrole zou, naar analogie met de “quality control” in het bedrijfsleven, instaan voor controle op de behaalde resultaten. Tenslotte diende permanente vorming tot een hoofdtaak van de universiteiten te worden uitgebouwd, in het kader van de recyclage van uit de boot gevallen werkkrachten en het op peil houden van het technologisch potentieel van de “human resources”, zonder dat de industrie de financiële last daarvan diende te dragen. Dit document, dat gelukkig genoeg uitlekte voor de feitelijke beslissing erover was genomen, werd na een jaar intensief en vanuit de Belgische studentenkoepels FEF (Fédération des Etudiants Francophones) en VVS (Vereniging van Vlaamse Studenten) gecoördineerd lobbywerk door het veto van de ondertussen Coens opgevolgde Vlaamse onderwijsminister Vandenbossche afgeschoten op de informele onderwijsministerraad van 27 november 1992. Dit Memorandum werpt echter een heel ander licht op de in verschillende Europese lidstaten doorgevoerde of op dat moment ter tafel gelegde hervormingen van het universitair onderwijs, ook in België. Want de oorsprong van het Memorandum brengt ons, via een kleine omweg, terug bij de ERT [European Round Table of Industrialists.

Europese landen staan hun jongeren toe om (min of meer) vrij hun studiekeuze te bepalen. Dit kan verholpen worden door de industrie een grotere vinger in de pap te geven.

In het voorwoord tot het Memorandum wordt verwezen naar een rapport van het IRDAC, het Europees sociaal-economisch overlegcomité. In de inleiding van dit document wordt expliciet gezegd dat “een geharmoniseerde Europese hoger onderwijspolitiek noodzakelijk is voor het veroveren en veiligstellen van een Europese hegemonie in de economische strijd met de Verenigde Staten en Japan”. Dit IRDAC-rapport is zelf weer een “gematigde” herformulering van de krachtlijnen van het ERT-rapport over hoger onderwijs, dat werd vrijgegeven in 1989. In deze tekst geen spoor meer van de dubbelzinnigheid van de latere documenten. De schuld van de Europese sociaal-economische problemen ligt bij het niet aan de noden van de industrie aangepaste onderwijs. Dit komt omdat de Europese landen hun jongeren toestaan om (min of meer) vrij hun studiekeuze te bepalen. Dit kan verholpen worden door de industrie een grotere vinger in de pap te geven in zowel het bestuur van de universiteiten als in de samenstelling van hun curricula. Deze zouden dan op hun beurt weer onderworpen moeten worden aan een controle door “industry inspectors”. Het rapport erkent weliswaar dat de variëteit aan universitaire structuren en ideologieën oude culturele wortels heeft, maar stelt dat het in het licht van de ontwikkelingen in de wereldeconomie onverantwoord is die nog langer in stand te houden.

Tot zover Verelst. Ze schrijft vanuit België, maar hetzelfde is van toepassing op Nederland. Ook hier staat de diversiteit van onderwijs onder druk, verkleint de vrijheid van studenten qua studiekeuze, en vergroot de invloed van het bedrijfsleven. En het zijn allemaal plannen die al sinds 1991 openlijk op tafel liggen. Het Memorandum zegt het volgende:

1. Onderwijs voor de arbeidsmarkt

In het Memorandum benadrukt de EC dat Europese werkgevers een behoefte hebben aan managers en marketing medewerkers die op Europese schaal kunnen werken, en tegelijkertijd willen werkgevers weten wat de waarde is van hoger opgeleiden in verschillende lidstaten, en moet er dus een Europees puntensysteem komen (de ECTS).

2. Onderwijs voor vorming Europese identiteit

Daarnaast benadrukt de EC in het Memorandum ook de rol van onderwijs in de vorming van een Europese identiteit en de politieke  eenwording van Europa. Vooral het hoger onderwijs zou hier een belangrijke taak in hebben omdat studenten vanwege hun leeftijd ontvankelijker zouden zijn voor het “grote politieke ontwerp” (“grand political design”) van de Europese politieke eenwording (ook het Europese Parlement had kort ervoor autoriteiten gewezen op hun verantwoordelijkheid om burgers voor te bereiden op Europese eenwording via onderwijs en training).

3. Publieke financiering studenten en onderwijs ter discussie

De EC voorspelt in het Memorandum al gevaren voor de studiefinanciering, omdat (1) een grote toename van het aantal hoger opgeleiden de kosten van het hoger onderwijs zou doen stijgen en (2) een intensieve samenwerking tussen het hoger onderwijs en het bedrijfsleven, mede gestimuleerd door de EU, het publieke karakter van hoger onderwijs onder druk zou zetten. Opleidingen zouden zich hierdoor meer richten op individuele belangen – persoonlijke kansen op de  arbeidsmarkt – waardoor het steeds discutabeler zou worden of het nog wel een publieke investering verdient. De EC voorspelt in het Memorandum (en juicht toe) dat door beide ontwikkelingen de publieke financieringsstelsels ter discussie komt te staan en bestaande stelsels van collegegelden en studiefinanciering herzien zullen worden.

4. Commercialisering van onderzoek 

In het Memorandum wordt aangeraden om alles op alles te zetten om onderzoek in dienst te zetten van economische belangen. De samenwerking met industrie moet worden gezocht en het fiscaal beleid zou dit moeten stimuleren (in andere woorden: overheidsfinanciering moet gekoppeld zijn aan de mate waarin onderwijs samenwerkt met het bedrijfsleven). Daarnaast zou het hoger onderwijs de manier waarop kennis gecommuniceerd wordt moeten veranderen om de toepassing ervan door bedrijven en investeerders te verbeteren (lees: kennis patenteerbaar maken voor investeerders).

5. Hiërarchischer onderwijs

In het Memorandum wordt voorspeld dat alle voorgestelde hervormingen zulke grote veranderingen zouden eisen van onderwijspersoneel en onderwijsinstellingen in het algemeen, dat deze niet volgens traditionele besluitvormingsmodellen uitgevoerd kunnen worden. Nieuwe besluitvormingsmodellen moeten ingevoerd worden (lees: afschaffing medezeggenschap). Vertegenwoordigers van het bedrijfsleven zouden een directe stem moeten krijgen in het bestuur van het onderwijs en onderzoek. (Dit is overigens exact waar Zijlstra’s Strategische Agenda ook voor pleit).

Voetnoot

Twintig jaar na het Memorandum zet de EU dezelfde koers nog steeds voort. Onderwijs moet in dienst staan van de arbeidsmarkt en onderzoek dient vooral in samenwerking met, en met instemming van de industrie te worden ontplooid. Dit is ook de filosofie van zowel de Lissabonstrategie uit 2000 en de Europa 2020 strategie uit 2010.

Advertenties